Proefschrift : The nature of the verbal self-monitor
Verbale monitoring wordt ook vaak in verband gebracht bij afasie, stotteren en schizofrenie.

In dit proefschrift worden de neurologische maten voor verbale zelfmonitoring in gezonde volwassenen onderzocht. In het bijzonder ging mijn interesse uit naar de error-related negativity (ERN). De ERN is een hersenpotentiaal, die te maken heeft met de werking van een algemene uitvoeringsmonitor, een cognitieve module die de correctheid van ons gedrag controleert. De centrale vragen in het proefschrift zijn: Als de ERN te maken heeft met het verwerken van fouten bij processen van de uitvoeringsmonitor, kan deze dan ook gebruikt worden bij processen van de verbale monitor? Werkt de verbale monitor op een vergelijkbare manier als een actie-monitor?

 

In Hoofdstuk 2 wordt een ERP-studie beschreven, waarin is onderzocht of de ERN gebruikt kan worden om verbale fouten op te sporen en of de ERN wordt beïnvloedt als proefpersonen onder tijdsdruk worden gezet. In de perceptual-loop theorie (Levelt, 1983), wordt de monitor gezien als een bronafhankelijk proces. Als dat het geval is zou de monitor beïnvloedt moeten worden door manipulatie van de tijdsdruk. Proefpersonen moesten een foneemdetectie taak zowel met als zonder tijdsdruk uitvoeren. Het blijkt dat dat proefpersonen meer fouten maken en een lagere ERN hebben onder flinke tijdsdruk dan zonder tijdsdruk. Het is dus waarschijnlijk dat de verbale monitor een abstracte fonologische representatie controleert op verschillen tussen de bedoelde en daadwerkelijke respons. De verbale respons wordt met de intentionele response vergeleken, en als er overeenkomst is, dan wordt er een fout gesignaleerd. Het is mogelijk dat er onder tijdsdruk niet genoeg tijd beschikbaar is om een optimale vergelijking tussen de correcte en de daadwerkelijke respons te maken. Als een gevolg hiervan wordt er een zwakkere ERN gegenereerd en worden meer fouten niet opgemerkt of worden corrigerende processen niet snel genoeg geactiveerd.

Hoofdstuk 3 beschrijft een studie, waarin Duitse tweetalige proefpersonen dezelfde taak als in Hoofdstuk 2 (een foneem-detectie taak met en zonder tijdsdruk manipulatie) in het Nederlands, hun tweede taal, moesten uitvoeren. Net als mensen met Nederlands als moedertaal, maakten de Duitse proefpersonen met Nederlands als tweede taal ook meer fouten in de situatie met tijdsdruk in vergelijking met de situatie zonder tijdsdruk. Echter, tegen de verwachting in, vond ik hogere ERN scores in de situatie met tijdsdruk dan zonder tijdsdruk als de taak in de tweede taal wordt uitgevoerd. Het is mogelijk dat onder tijdsdruk proefpersonen meer moeilijkheden hadden om hun dominante moedertaal te onderdrukken en daardoor meer last hadden van intrusies van de moedertaal. Ook is het mogelijk dat op het moment van de respons er niet alleen de Nederlandse naam van het plaatje beschikbaar was maar ook de Duitse naam. Het was daardoor voor de monitor moeilijker is om te bepalen welke respons correct en welke respons foutief was. Dit zou geleid kunnen hebben tot meer conflict tussen strijdende responsen en hogere amplitude van de ERN.

Vervolgens heb ik in Hoofdstuk 4 de aanwezigheid en de relatie tussen auditieve distractoren gemanipuleerd om verder te onderzoeken wat de effecten van verbale manipulaties op ERN zijn. De ERN is gevoelig voor grotere conflicten tussen strijdende responsen. Echter, tot op heden was er nooit onderzocht of de ERN ook gevoelig is voor een lexicaal conflict. Gevoeligheid van de ERN voor een toename van een lexicaal conflict zou extra evidentie kunnen zijn voor de hypothese dat verbale monitoring vergelijkbare processen gebruikt als non-verbale actie monitoring. Proefpersonen moesten een foneem-detectie taak uitvoeren met semantisch gerelateerde-, semantisch ongerelateerde distractoren, en zonder distractoren. Het foutenpercentage was niet afhankelijk van de distractoren. Maar ik vond wel een verhoging in de reactietijden en de amplitude van de ERN voor semantisch gerelateerde distractoren in vergelijking met semantisch ongerelateerde distractoren. Semantische distractoren activeren kennelijk, door de spreiding van activatie, meerdere concepten die semantisch aan elkaar gerelateerd zijn en die met elkaar strijden voor lexicale selectie. Daardoor was er in de semantisch gerelateerde conditie meer conflict tussen strijdende responsen dan in de semantisch ongerelateerde conditie of bij afwezigheid van afleidende woorden. Dit heeft als gevolg hogere amplitudes van de ERN en tragere reactietijden. De verbale monitor moet verifiëren dat het daadwerkelijke antwoord de correcte respons is en dit zorgt voor een vertraagde reactie. In de ongerelateerde conditie is deze verificatie van minder belang. Dit omdat ongerelateerde distractoren niet leiden tot coactivatie van gerelateerde lexicale concepten en dus tot minder competitie tussen de alternatieve antwoorden.

In Hoofdstuk 5 worden bovenstaande resultaten herhaald en verder uitgebreid. In tegenstelling tot de vorige studies, waar ik een foneem-detectie taak heb gebruikt (Hoofdstukken 2, 3, en 4), heb ik in Hoofdstuk 5 een plaatjesbenoeming taak gebruikt. Proefpersonen werd gevraagd plaatjes te benoemen in een semantische context (b.v., hand, mond, arm, been, en voet) en een ongerelateerd context (b.v., hand, giraffe, stoel, jurk, en bus). Daarnaast heb ik ook de motivatie van proefpersonen beïnvloedt. Voor gemaakte fouten in de zogenaamde hoog-motivatie conditie kregen proefpersonen te horen dat er een financiële straf zou volgen. In de laag-motivatie conditie kregen de proefpersonen geen straf maar ook geen beloning. Proefpersonen waren langzamer, maakten meer fouten, en de amplitude van de ERN was groter in de benoeming van plaatjes bij semantisch gerelateerde blokken in vergelijking met gemengde blokken. De verhoging van de amplitude van de ERN en reactietijden in semantisch gerelateerde blokken is hoogstwaarschijnlijk een gevolg van de gelijktijdige activering van concurrerende lexicale items waardoor er meer conflict plaatsvondt op het moment van de respons. Als gevolg van de gelijktijdige activering van concurrerende items, is de verbale zelfmonitor meer actief in de semantische gerelateerde context dan in de ongerelateerd context, om te verifiëren dat de daadwerkelijke respons de correcte respons was. Manipulatie van de motivatie had geen effect op reactietijden of foutenscores. Echter, de amplitude van de ERN bleek hoger en vertraagd in de hoog-motivatie conditie in vergelijking met de laag-motivatie conditie. In de hoog-motivatie conditie hadden fouten meer consequenties voor sprekers dan in de laag-motivatie conditie, dus moest de verbale monitor alerter zijn om te verifiëren of de geselecteerde respons correct was of niet. In de hoog-motivatie conditie was foutendetectie waarschijnlijk vertraagd om te verifiëren dat de geselecteerde respons daadwerkelijk de correcte respons was. In de laag-motivatie conditie was deze verificatie sneller en minder belangrijk, omdat fouten geen erge gevolgen hadden. In Hoofdstuk 6 wordt onderzocht hoe de ERN door een meertalige context wordt beïnvloed. Nederlands-Engels tweetaligen zagen witte Nederlandse woorden die ze moesten classificeren. Hun taak was om een beslissing te nemen over het grammaticale geslacht van het woord. Proefpersonen kregen ook gekleurde woorden te zien die ze moesten classificeren op basis van hun kleur. De gekleurde woorden waren Nederlandse mannelijke en onzijdige woorden en de Engelse vertaling van deze woorden. De proefpersonen presteerden slechter bij incongruente trials wanneer er geen overeenkomst tussen kleur en grammaticale geslacht was. Op congruente trials was hier van geen sprake. Uit het onderzoek bleek dat proefpersonen meer fouten maakten en een hogere ERN hebben op incongruente dan congruente trials. Dit effect was onafhankelijk van de taal waarin de gekleurde woorden werden gepresenteerd. Dit kan erop wijzen dat wanneer meerdere talen tegelijk actief zijn, de monitor meer moeilijkheden heeft om de talen apart te houden en daarom meer last heeft van intrusies van de andere taal, wat leidt tot meer conflict tussen strijdende responsen en meer fouten (zie ook Hoofdstuk 3). Deze resultaten laten ook zien dat sprekers onder bepaalde omstandigen sommige grammaticale karakteristieken van hun eerste taal naar hun tweede taal kunnen overdragen (b.v. grammaticaal geslacht), ook als zulke karakteristieken eigenlijk afwezig zijn in de tweede taal.

Samenvattend blijkt uit dit onderzoek dat er een conceptuele overlap is tussen theorieën over de verbale monitor en een algemene uitvoeringsmonitor. Beide theorieën claimen onafhankelijk van elkaar dat, om een fout op te kunnen sporen, de monitor een vergelijking moet maken tussen de correcte respons en een kopie van een daadwerkelijke respons. Als er geen overeenkomst is, dan is er sprake van een fout en beginnen corrigerende processen te werken. In een reeks van experimenten heb ik aangetoond dat er een typische ERN voor verbale fouten in verschillende verbale taken was en dat de ERN afhankelijk was van een verbale beslissing (Hoofdstukken 2, 3, 4, 5, en 6). Sterker nog, in de Hoofdstukken 4 en 5, heb ik laten zien dat de ERN niet alleen aanwezig was voor verbale fouten maar ook gevoelig was voor lexicale conflicten. Mijn bevindingen leveren convergerend bewijs dat de verbale monitoring niet een apart proces is, maar eerder een specificatie van de algemene monitor. Bovendien tonen huidige bevindingen aan dat de ERN gebruikt kan worden als elektrofysiologisch middel om de verwerking van fouten in taalonderzoek te meten.

Lees het hele proefschrift...