Bron: Katholieke Universiteit Leuven

Stotteren kan je omschrijven als een spraakstoornis met ‘onvloeiendheden’: verlengingen, herhalingen en onderbrekingen in de spraak. “Wat we gewoonlijk onder stotteren verstaan, is zogenaamd ontwikkelingsstotteren”, vertelt Theys. “Dat manifesteert zich bij kinderen tussen twee en vijf jaar, en veel kinderen groeien daar ook spontaan uit. Slechts één procent van de bevolking is levenslang stotteraar. Bij die mensen kan je stotteren niet genezen, ze kunnen wel leren het stotteren te verminderen. Therapie bij jonge kinderen is vaak succesvol.”

Naast ontwikkelingsstotteren bestaat er ook psychogeen stotteren, dat door een psychisch trauma kan ontstaan, en neurogeen stotteren, dat plots optreedt na een hersenstoornis, zoals een beroerte, epilepsie of een hersentrauma. Theys: “Over dat neurogeen stotteren is bitter weinig geweten. Volgens vele neurologen is het zelfs niet verwant met ontwikkelingsstotteren”, zegt Theys. “Ik wilde dan ook weten hoe vaak dat neurogeen stotteren voorkomt, en of het terecht ‘stotteren’ wordt genoemd. En vooral: ik wilde de plaats in de hersenen vinden waar het misgaat. Dat kan ook een nieuw licht werpen op ontwikkelingsstotteren bij kinderen.”

Lees het hele artikel...